Zomaar
wat jeugdherinneringen uit Rotterdam
Ik ben geboren op 22 juni 1941 in de
kraamkliniek op de Henegouwerlaan in Rotterdam. Overigens niet alleen voor mijn
ouders een gedenkwaardige datum, maar op die dag viel nazi-Duitsland binnen in
Rusland (actie Barbarossa) en feitelijk betekende dat achteraf gezien het begin
van het einde van de tweede wereldoorlog. Mijn ouders woonden op de Beukelsweg
op nr.2 op de hoek van het Burg. Meineszplein. Op dat adres, mijn ouderlijk
huis dus, heb ik mijn gehele tijd in Rotterdam gewoond. We praten dan over 1941
tot 1966, in dat laatste jaar vertrok ik naar Spijkenisse omdat daar nog aan
woonruimte te komen was in die tijd.
Maar terug naar het begin. Van de oorlogsjaren weet ik uiteraard nagenoeg niets. Er zijn twee dingen die ik me uit die tijd herinner. Ten eerste de voedseldroppings in de hongerwinter, die grote vliegtuigen kwamen zo laag over de huizen aangevlogen dat je het idee had dat je ze kon aanraken. Ze maakten voor een klein jongetje van 3 jaar een dusdanig angstaanjagend geluid dat ik zo bang ben geworden dat er een klein herseninfarctje ontstond. Daar heb ik gelukkig niets aan overgehouden als een lichte oogafwijking.
Het tweede dat ik me
herinner is de honger. In de laatste periode had iedereen bij ons thuis niet
meer dan een stuk brood, waar je heel zuinig mee omging, want je moest er de
hele dag mee doen. Uit overlevering heb ik gehoord dat ik de hele dag liep te zeuren
van de honger en dat de woorden die ik het duidelijkst uitsprak waren "mag
ik een homp van mijn brood". Dit heeft er trouwens voor gezorgd dat ik de
rest van mijn leven overal op kan bezuinigen indien nodig, behalve op eten.
En toen kwam de bevrijding. Wat ik me daar uitsluitend van herinner is dat mijn
opa, een fervente roker, uiteraard naar buiten ging om te kijken of hij wat
sigaretten van de bevrijders kon bietsen. Na een poosje kwam hij inderdaad
triomfantelijk terug met twee sigaretten, maar was in het gedrang wel zijn bril
kwijtgeraakt, waarvoor hij van mijn oma flink op zijn kop kreeg.
Mijn vader had, overigens al voor de oorlog, een installatiebedrijf op het
gebied van elektriciteit en daarbij een winkel. Die winkel bevond zich op het
Stieltjesplein op nr. 14, schuin tegenover de RK kerk "Martelaren Van Gorcum" . Direct na de
oorlog was er voor bedrijfjes niet of nauwelijks aan een auto te komen, maar
mijn vader zag kans een Harley Davidson met zijspan op de kop te tikken en die
ging als bedrijfsmotor fungeren, je moest toch iets hebben om het materiaal te
vervoeren. Soms mocht ik een dagje mee naar de zaak en dat was uiteraard feest.
Naast vader in het zijspan, beginnend op de Beukelsweg, de Beukelsdijk
uitrijden, dan het Weena op, rechtsaf de Coolsingel op, aan het eind bij Gerzon
linksaf de Blaak op, dan rechtsaf de Posthoornstraat in, aan het eind linksaf
en dan langs de Maas de Boompjes tot aan de Maasbruggen. Daar rechtsaf de
bruggen op, over de Van Der Takstraat op het Noordereiland en dan na de
Koningsbrug het Stieltjesplein. In die tijd een ritje van 10 tot 15 minuten,
veel verkeer was er nog niet.
Vanaf het eind van de Beukelsdijk, bij de tunnel, tot aan het Oostplein, moeten
jullie je voorstellen dat er bijna niets meer overeind stond. Je kon vanaf het eind
van de Beukelsdijk de molen (later helaas afgebrand) op het Oostplein zien.
Maar al heel snel werd de wederopbouw ter hand genomen en als één van de eerste
grote gebouwen verrees aan het Weena het Groothandelsgebouw, dat in 1953 gereed
kwam. Daarna ging het snel en hoe het uiteindelijk geworden is, kunnen we
allemaal heden ten dage zien, een dynamische moderne stad.
Toen brak voor mij in 1947 het grote moment aan dat ik naar de grote school
mocht/moest. Die school stond in de Adriën Milderstraat, een straat tussen de
Beukelsdijk en de Burgemeester Meineszlaan, op loopafstand van de ouderlijke
woning, dus dat was allemaal erg praktisch. Beneden was de lagere school voor
jongens en boven de lagere school voor meisjes. Wat schetst mijn verbazing toen
op de eerste schooldag mijn moeder te horen kreeg dat het aanbod voor de
jongensschool te groot was en dat drie jongens naar de meisjesschool zouden
moeten en dat mijn moeder er ook nog mee akkoord ging dat ik één van die drie
was. Ik heb dus mijn gehele lagere schooltijd met twee andere jongens
doorgebracht op een meisjesschool. Ik wijt het feit dat ik nog steeds een
voorkeur heb voor vrouwen boven mannen daaraan. Aan mijn lagere schooltijd, zes
dagen in de week alleen woensdag en zaterdagmiddag vrij, heb ik eigenlijk
alleen maar fijne herinneringen. Het leren op zich ging me gelukkig redelijk
gemakkelijk af, dus was er tijd voor allerlei andere bezigheden. Een hobby van
veel jongetjes in die tijd was bijvoorbeeld het noteren van autonummers. Je
ging dan ergens op straat zitten met een potlood en een schrift en noteerde de
nummers van alle auto's die langskwamen. Na een week had je dan soms wel 100
nummers en de bedoeling was om dan te vergelijken met je vriendjes en te kijken
wie er de meeste had. Zet nu eens zo'n jongetje neer op de Beukelsweg en binnen
een uur is zijn schriftje vol.
Gezien het geringe verkeer was voetballen op straat ook volop mogelijk, alleen mocht dat niet van de politie. In die tijd werd er nog met wijkagenten gewerkt en wij hadden er twee die we als bijnaam Varkenskop en Speknek gegeven hadden. Respect hadden we maar genoeg voor die agenten, alleen al door hun uitstraling dwongen ze dat respect af. Sportief waren ze ook. Zij reden in die tijd op van die dienstfietsen met een dubbele horizontale stang voor de stevigheid. Als ze ons betrapt hadden op voetballen op straat werd onze oude afgetrapte tennisbal in beslag genomen en vastgeklemd tussen die twee stangen. Als we kans zagen die bal weer terug te jatten als ze even iets anders aan het doen waren, werd dat niet met gejuich maar wel met een glimlach begroet.
Woensdagmiddag werd altijd met een grote groep jongens van die leeftijd doorgebracht op het buizenlandje. Halverwege de Beukelsdijk, tegenover de Heemraadsingel, was een open stuk grond, waar later de tunnel naar Diergaarde Blijdorp kwam, waar gemeentewerken de grote betonnen rioleringsbuizen voor allerlei werkzaamheden in de buurt bewaarde, vandaar buizenlandje. Dat landje was omgeven door sloten, dus kon je er prima vissen, er stonden bomen, dus kon je er diefje met verlos spelen en het midden was een open stuk waar je perfect kon voetballen. Daar waren we dus tot het donker werd lekker bezig. Later is daar o.a. een vrijgezellenflat neergezet, die bij ons in de buurt al gauw de bijnaam hunkerbunker had.
Een ander fantastisch speelgebied was de Spaanse Polder, waar in die tijd
slechts het Van Nelle gebouw stond en verder niets dan open grasland. In de
volksmond heette dat deel toen ook "achter van Nelle". Daar had je
als jongen kilometers de ruimte om alle mogelijke spelletjes te doen, ja je
moest wat want (spel)computers waren er nog niet en van televisie hadden we ook
nog nooit gehoord, maar desondanks hadden we wel lol. Overigens om in die
Spaanse Polder te komen had je aan het eind van de Beukelsweg, op het
Aelbrechtsplein, toen het begin/eindpunt van tramlijn 1, een pontje dat je voor
5 cent overzette naar de andere kant van de Schie. Maar voor die 5 cent, als we
die al ooit bij elkaar gespaard hadden, kochten we liever duimdrop of
toverballen, dus liepen we om via de Mathenesserbrug.
Zaterdag na school ging ik met opa, die 's morgens ook gewoon gewerkt had, naar de grote markt op het Noordplein. Dat was feest! Daar werden niet alleen allerlei zaken via kramen verkocht, maar er tussen door stonden allerlei zogenaamde standwerkers, die op luidkeelse en ludieke wijze allerlei producten aan de man brachten. Deze oervorm van handel boeide me zeer en was hoogstwaarschijnlijk de aanleiding dat ik later ook in de commercie terecht kwam.
Soms op woensdag- of zaterdagmiddag ging ik naar de winkel van mijn vader, want dat vond ik ook wel heel erg interessant. Ik nam dan bij ons voor de deur tramlijn 1 die het Aelbrechtsplein verbond met het einde van de Honingerdijk en stapte dan op de Blaak, toen nog één grote kale vlakte, over op één van de tramlijnen die naar Rotterdam-Zuid gingen. Naast de winkel van vader op het Stieltjesplein was een filiaal van Jamin, waar voor een kind de meest lekkere zaken te krijgen waren. De filiaalhoudster was altijd erg aardig tegen me en stopte me van alles toe. Later, toen ze na de scheiding van mijn vader en moeder mijn stiefmoeder werd, begon ik te begrijpen waarom.
Buitenlandse vakanties
in die tijd waren uitsluitend weggelegd voor de echt rijken en dat waren we
niet. In Hoek van Holland net echter de duinen was een vakantieoord waar veel
Rotterdamse gezinnen een huisje hadden. Dat waren eenvoudige houten keetjes met
stapelbedden, maar de vakanties daar waren voor kinderen fantastisch. Zand, zee
en ruimte wat wil je nog meer. Daar brachten we dan de hele zomerschoolvakantie
door, terwijl mijn vader iedere morgen en avond heen en weer reed, want er
moest uiteraard wel geld verdiend worden.
Er is over die tijd zoveel te vertellen dat ik echt moet proberen me te
beperken.
In de oorlogsperiode was in Rotterdam uiteraard erg veel beschadigd in de
havens. In 1950 was e.e.a. weer dusdanig opgeknapt dat men besloot dat te
vieren met een grote internationale tentoonstelling genaamd Rotterdam Ahoy'.
Deze tentoonstelling werd niet gehouden op de plaats van het huidige Ahoy
gebouw, maar in het park bij de ingang van de Maastunnel waar later de Euromast
kwam en op het open terrein ongeveer op de plaats waar nu het
Dijkzigtziekenhuis staat. Die twee tentoonstellingsterreinen waren verbonden
door een houten loopbrug over de weg. Ik weet niet meer hoeveel de entree
kostte, maar dat kan niet veel geweest zijn, want ik mocht er een paar keer
heen van mijn ouders. Daar was van alles te zien! Ik heb er een
onderwatergoochelaar gezien georganiseerd door de Marine, ik heb er één van de
vele afscheidsconcerten van Heintje Davids gehoord en gezien en er waren heel
veel interessante zaken te zien ingezonden door andere landen. Maar er waren
ook een groot aantal kermisachtige attracties, kortom een lustoord voor groot
en klein.
Mijn vader en mijn opa waren fervente sportvissers en namen mij al heel vroeg
mee. Er werd dan op de Kralingse plas, op de Bergse plas of elders een bootje
gehuurd en er werd een hele ochtend gevist. Daarna kleedde ik me uit, kreeg een
touw om m'n middel en werd door mijn vader het water in gekiept, kon ik leren
zwemmen. Hij was niet flauw en trok pas aan het touw als het strikt
noodzakelijk was, dat heeft er zeker toe bijgedragen dat ik vrij snel kon
zwemmen. In de wintertijd werd er op snoek of baars gevist. Dat gebeurde vaak
met steurkrabben. 's Zaterdagsmiddags ging ik dan met opa naar de Merwedehaven
waar langs de kant vissers stonden met kruisnetten die via een katrol te water gelaten
werden. Na het ophalen zaten er dan meestal diverse steurkrabben in het net.
Die beesten moesten bij voorkeur in leven gehouden worden, dan was het beter aas.
Daartoe werden ze dan dan, tot verdriet van oma, bij opa in het bad gedaan, met
een dweil over de rand half in het water zodat ze wat houvast hadden.
De lagereschooljeugd in die jaren in de stad, opgegroeid in de oorlog met te
weinig en te eenzijdig voedsel, stond bekend als stadse bleekneusjes. Voor die
jeugd was er in Rotterdam een stichting in het leven geroepen, die in de
zomervakantie voor zover ik me herinner twee zaken organiseerde. In de eerste
plaats was er gedurende drie weken een dagelijkse reis naar Hoek van Holland,
waar beurtelings op het strand, in de duinen of in het Hoekse Bos allerlei
activiteiten georganiseerd werden. Je reed dan dagelijks met de trein heen en
weer. Het vertrek was op het station Delftse Poort, een Centraal Station kenden
we toen nog niet in Rotterdam. Het huidige Centraal Station staat overigens wel
nagenoeg op dezelfde plaats waar toen station Delftse Poort was. Het vervoer
vond plaats met uiteraard een stoomlocomotief, als ik m'n ogen dicht doe ruik
ik nog die lucht die toen altijd op het station hing, met daarachter van die
wagons met houten banken en niet met één centrale ingang, maar deuren in iedere
coupé. Alleen de reis naar Hoek van Holland was al een avontuur. Begrijpelijk
dat na drie weken zon, zee en zand de bleekneusjes er een stuk gezonder
uitzagen.
Een andere mogelijkheid was het kamp in Gilze-Rijen. Daar was door die
stichting een stuk in het bos gehuurd, waarop een aantal grote tenten stonden.
Dat was geen heen en weer rijden, maar één keer met de bus heen en één keer
terug. Aan beide activiteiten heb ik één keer mee gedaan en ik heb er nog
steeds leuke herinneringen aan.
Ondertussen ging de wederopbouw van Rotterdam gestaag door. Het gaat in dit
bestek te ver om alle schreden voorwaarts te belichten, maar één bijzondere wil
er toch uitlichten. In 1953 kwam de Lijnbaan klaar. Dit was een volstrekt uniek
project, want nog nergens in Europa was er in het centrum van een stad een
winkelgebied uitsluitend voor voetgangers en geheel autovrij. Ook daarin waren
we in Rotterdam dus trendsetters en vele buitenlandse bezoekers kwamen dit
wonder aanschouwen.
Als het 's winters vroor (waarom denk ik toch steeds dat dit toen meer voorkwam
dan nu) werd er geschaatst. Dat kon bij ons in de buurt op de Essenburgsingel
of op de Heemraadsingel, waarbij de laatste de voorkeur had, want die was
breder, beter verlicht en er was een koek en zopie. Als het net vroor was het ijs
niet dik genoeg op de singels en kon er geschaatst worden op twee ijsbanen in
Rotterdam ten noorden van de Maas, dat waren de ondergespoten banen van de
Nenijto- en van de Kralingse tennisclub. Je kon op de Rotterdamse trams dan
zien of de ijsbaan open was, hing er een blauw bordje aan de tram was de
Nenijto-ijsbaan open, hing er een groen bordje dan was het de Kralingse ijsbaan
en hingen ze er allebei dan kon je kiezen. Ik meen me te herinneren dat er voor
Rotterdam-Zuid een ijsbaan de Enk was, met witte bordjes op de tram, maar
wellicht kan iemand dat verbeteren of bevestigen. Vroor het lang, dan werden
zelfs de Kralingse en de Bergse plas vrij gegeven voor schaatsen.
In die tijd kon je
overigens ook via een roodwitte aankondiging achter de voorruit van de trams
zien welke voetbalwedstrijd er in de Kuip aanstaande was of van Feijenoord (ja
echt, toen nog met een ij) of van het Nederlands elftal. In die tijd oefende
het Nederlands voetbalelftal (nog echte amateurs toen) nogal eens in de Kuip
tegen een club uit de tweede Engelse divisie en heel soms wonnen ze ook wel
eens.
Toen was plotseling mijn lagereschooltijd voorbij. In overleg met het hoofd van
de lagere school, mede omdat zowel taal als rekenen me redelijk af gingen, werd
besloten dat het maar een lyceum moest worden, dan kon je na een jaar kiezen of
je verder ging met gymnasium of met hbs en daarna weer twee jaar laten of je a-
of de b-richting nam. Uiteindelijk is het voor mij hbs-b geworden. De keus viel
voor mij op het Libanon Lyceum. Na een toelatingsexamen, dan was toen nodig,
werd ik toegelaten en daar heb ik dus mijn middelbare schooltijd doorgebracht.
Zoals echte Rotterdammers weten bevindt het Libanon Lyceum zich op de
Ramlehweg. Dus wonend in Rotterdam-West moest ik elke dag naar Rotterdam-Oost.
Dat had nadelen, altijd iets vroeger op en iets later thuis, maar het had ook
veel voordelen. Het grootste voordeel vind ik persoonlijk dat ik al die jaren
dat ik heen en weer ging de wederopbouw van de stad op de voet heb kunnen
volgen. Van mijn thuis naar school passeerde ik namelijk een groot aantal
bouwplaatsen.
Er was ook een poosje een klein veldje direct na het Hofplein in oostelijke richting, dat de wijdse naam Rotterdam-Heliport kreeg. Vandaar uit werd een regelmatige verbinding onderhouden met helikopters van Rotterdam naar Brussel vv., dat was voor ons jongens uiteraard een fantastisch gezicht als zo'n helikopter net ging landen of opstijgen. Ik heb daar alles bij elkaar heel wat uurtjes staan kijken.
Dat verplaatsen van west
naar oost en terug ging op twee manieren, bijna altijd op de fiets met een
groepje medeleerlingen, alleen als het echt beestenweer was nam ik de tram, dat
was dan lijn 16 vanaf de Vierambachtstraat of lijn 22 vanaf de Hooidrift, die
beide naar Kralingen gingen, de eerste redelijk rechtstreeks naar het eind van
de Oudedijk, de tweede via een omweg door o.a. Crooswijk naar de Avenue
Concordia (een zijstraat van de Oudedijk). Mijn verdere schooltijd laat ik hier
rusten, dat is niet echt Rotterdamse geschiedenis, de ervaringen,
kwajongensstreken enz. zullen vast niet verschillen van andere steden in
Nederland. Wellicht nog aardig te vermelden dat reeds in mijn tijd het Libanon
Lyceum uit zijn jasje groeide (het was toch echt in mijn ogen een monumentaal
gebouw) en dat er bijgebouwen waren in de Palestinastraat en op de Oudedijk.
Ja, en met het bereiken van de puberteit, kwam dus ook het besef dat meisjes
lang niet altijd stom zijn of doen, maar dat ze in veel gevallen best
aantrekkelijk konden zijn. Als de meeste jonge mannen heb ik vele vreugdevolle
momenten in dat opzicht gekend, maar ook diepe dalen van teleurstelling. Wat
deed je in die tijd? Je ging met een meisje naar de bioscoop, je ging een ijsje
eten bij Capri net om de hoek van de Lijnbaan, of je ging, als het echt "aan"
was hand in hand, zomaar een stukje wandelen. Maar bijna altijd sprak je af elkaar
te ontmoeten bij de Beertjes op de Lijnbaan. Dat beeldengroepje was nogal
omstreden. Er waren wat puriteinse Rotterdammers die de beertjes ervan
verdachten aan het paren te zijn, maar gelukkig bracht diepgaand onderzoek aan
het licht dat het jonge beertjes waren die aan het spelen waren en dus mochten
ze blijven staan. Bij dat beeldje in het hart van de Lijnbaan zijn heel wat
romances begonnen en waarschijnlijk even zo vaak tot een abrupt einde gekomen
want één van de dalen was uiteraard wanneer het meisje niet op kwam dagen.
Groot succes was als je aan het eind van de avond het betreffende meisje naar
huis mocht brengen, je voelde je een prins als dat hand in hand ging en je was
koning als je bij het afscheid ook nog een schuchter kusje kreeg.
Als jongeman werd je geacht ook onderricht in dansen te krijgen, ik bedoel hier
dus echt dansen als foxtrot, engelse wals etc., waarbij de heer de dame nog
echt vasthield. Voor ons was daarvoor de aangewezen plek bij Meijer et Fils op
de Henegouwerlaan. Daar ging je dan één keer in de week een uur heen om je
enige etiquette bij te laten brengen en de eerste beginselen van al die
ingewikkelde passen. Voor de diverse cursussen werden altijd meer meisjes
opgegeven dan jongens, dus als je tot die gelukkige jongens behoorde die niet
al te vaak over hun eigen benen struikelden werd je gevraagd om zonder verdere
kosten nog een uurtje te komen. Dat heette dan daar dat je kwam assisteren.
Jullie begrijpen dat dit de nodige indruk bij de meisjes maakte als je kon zeggen
ik ben dansassistent. Zaterdagavond was het vrij dansen bij Meijer et Fils,
daar kon je dan van acht uur tot elf uur 's avonds op de muziek van platen het
geleerde in praktijk brengen, waarbij de dansleraar en zijn assistente er
nauwlettend op toe zagen dat de lichamelijke contacten zich beperkten tot het
strikt nodige.
Mijn vader en mijn grootvader waren beiden verzot op sport, zowel actief als
passief. Ik werd daar uiteraard door aangestoken. In eerste instantie viel de
keuze op voetballen. Als je bij ons de Beukelsweg afliep richting Schie, kwam
je aan het eind op het Aelbrechtsplein. Daar had je niet alleen het begin- en
eindpunt van tramlijn 1, maar ook het knusse voetbalstadionnetje van RFC
(Rotterdamsche Football Club), spelend uiteraard in het groenwit en ook de
overdekte hoofdtribune was groenwit geschilderd. Daar heb ik heel wat uurtjes
zitten kijken. Liep je iets verder door de Abraham van Stolkweg op, toen
trouwens de in- en uitvalsweg voor Rotterdam van de "grote" weg naar
Den Haag, kwam je direct daarna bij een andere voetbalclub, namelijk Neptunus,
later werd daar een honkbalstadion gemaakt en nog weer even verder, alles aan
de dezelfde kant van de weg, had je de gemeentelijke sportvelden "Abraham
van Stolk" waar een aantal voetbal- en hockeyclubs hun domicilie hadden.
Omdat daar een oom van me in het eerste elftal van Voorwaarts speelde, werd het
deze club waar mijn sportieve carrière begon.
Al ras bleek dat mijn aanleg in een andere sport lag, namelijk atletiek. Ik
werd toen lid van de Rotterdamse Atletiekvereniging DOS (Door Oefening Snel),
die de trainingen en wedstrijden hield op de Nenijtobaan aan de Bentincklaan. Inmiddels
was er een tunneltje gekomen van de Beukelsdijk (tegenover de Heemraadsingel)
naar de Bentincklaan (bij Diergaarde Blijdorp), dus van mijn thuis daar heen
lopen voor de trainingen was geen enkel probleem. Later heb ik wedstrijden
gelopen over heel Nederland, over een flink stuk van Europa zelfs, maar de drie
Rotterdamse atletiekbanen, de Nenijto, het Lange Pad en Varkenoord roepen nog
altijd bij mij warme gevoelens op, waarbij om begrijpelijke redenen de Nenijto
mij het meest aan het hart ligt. Overigens bestaat DOS als vereniging onder die
naam niet meer, door allerlei fusies heet het tegenwoordig als ik het goed heb
Rotterdam Atletiek.
Ik heb dus als gezegd de eerste 25 jaar van mijn leven in Rotterdam
doorgebracht, ben nu inmiddels ruim 40 jaar weg uit Rotterdam, maar ik denk dat
"EENS EEN ROTTERDAMMER, ALTIJD EEN ROTTERDAMMER"
P.S. Als ik weer eens wat tijd en inspiratie heb, zal ik het nodige aan bovenstaande toevoegen, dus als u dit leuk vond, kom nog eens terug. Ook uw commentaar, aanvulling of correcties wordt zeker op prijs gesteld
U bent bezoeker